Smalle autoloze straatjes vol speelgoed en klapstoelen. In de Zeven Steegjes is het zomer. De één rijdt scooter en dart in buurthuis De Sjuut, de ander is nieuw en geabonneerd op granola. Bij gebrek aan tuin zitten we neus aan neus. Zeven columns over mijn leven in een Utrechtse volksbuurt.
column 4 van 7
Een warme vrijdagmiddag, de postbode werpt een brief door de openstaande voordeur. Ik weet meteen van wie hij is, ook al heb ik acht maanden niks van haar gehoord.
Een verzoenend bericht, zo lees ik het tenminste – ze had het anders moeten aanpakken, iets van die strekking.
Laat ik zeggen: daar ben ik het mee eens. Hoe het allemaal is gegaan laat ik achterwege. Niet in de laatste plaats omdat ik betwijfel of ik het zelf overzie.
In die acht maanden kreeg ik steeds vaker vervelende dromen, waarin mijn onderbewustzijn het verlies van een dierbare vriendin probeerde te verwerken maar tegelijkertijd probeerde hoop te houden – ze had immers nog niet gezegd dat het voorbij was. Acht maanden waarin ik soms wakker werd zonder specifieke herinnering aan zo’n droom, alleen met het onprettige gevoel dat hij achterliet.
Een zoete brief van iemand van wie ik liever niet meer zou houden.
Voor het huis ligt een bij te creperen op de stenen. Hij maakt ongecontroleerde bewegingen met zijn hele lijfje, zodat het me wat moeite kost hem op de aarde van ons vijgenboompje in veiligheid te brengen.
Eigenlijk was ik op weg naar een terras voor een goed glas Francis Ford Coppola. Nu steek ik mijn sleutel weer in het slot om suikerwater te halen.
De buurvrouw doet wat stappen dichterbij en zegt: ‘Honing! Toen ik een bij laatst een druppel honing gaf, hielp dat meteen. Wacht.’
Ik zie het spastische insect en denk aan het kleverige goedje.
‘Weet je het zeker?’ vraag ik als de buurvrouw terug is met een knijpfles bloemenhoning.
‘Ja! De bij vloog na een paar minuten vrolijk op.’
Ze laat een druppel op de aarde landen.
Tot mijn opluchting beweegt het beest ervandaan.
‘Suikerwater is in dit geval misschien beter,’ zeg ik.
‘Iets dichterbij,’ zegt de buurvrouw, die vastbesloten is het wonder dat zich laatst voor haar ogen af heeft gespeeld opnieuw mee te maken.
Ze knijpt. Er gebeurt waar ik bang voor was: de tweede druppel landt op de bij. De vleugeltjes, de fragiele pootjes, alles overgoten met het stroperige spul.
‘Dat is het einde,’ zeg ik.
‘Of het begin,’ zegt de buurvrouw, maar haar stem klinkt onzeker.
Als ik terugkom van het terras ligt de bij nog te creperen, alleen trager. Ik leg hem op de stenen en sla hem, gesterkt door de roes van de wijn, dood met een plank. ‘Sorry, sorry, sorry.’
Op tafel ligt de brief, die ik even was vergeten. Ik leg hem uit het zicht, zoals je doet met post waarvan je niet weet wat je ermee moet.
Ik denk aan het gespartel. Een beetje zoetigheid – mits goed gemikt – is vaak precies wat een bij nodig heeft om vrolijk op te vliegen. Maar misschien lag deze al heel lang op de stenen voor ik hem daar aantrof. Dan had de honing nooit geholpen. Soms komt zoetigheid te laat.

De (nu monumentale) huisjes werden vanaf 1842 gebouwd voor werknemers van bierbrouwerij De Boog en grote rooms-katholieke gezinnen. In 1952 kregen de woningen pas een eigen wc en in 1994 een complete opknapbeurt.

Laat een antwoord achter aan Lotte Reactie annuleren