De afgelopen maanden interviewde ik mensen over hun ‘fietsgeluk’, voor het 50-jarig bestaan van de Fietsersbond. Fietsgeluk zit ‘m voor iedereen in iets anders. De een houdt van ver fietsen, de ander stapt graag samen op een tandem. En ikzelf, ik hou vooral van gefietst hébben.
Als veertienjarige moest ik mee op fietsvakantie naar Avignon, dat ligt in Zuid-Frankrijk. We begonnen vanaf ons huis in Ameide. Ik herinner me dat nog, de rode fietstassen volgepakt, de tegenzin verdund door opwinding – het kon best leuk worden eigenlijk – en de overburen die kwamen informeren wat de bedoeling was.
De bedoeling was dat we over twintig dagen onze eindbestemming zouden bereiken. De chambres d’hôtes waren geboekt. De routes uitgezet. De eerste halte: Boxtel.
‘Hoe heb je je pubers meegekregen?’ Die vraag schijnen mijn ouders veel gekregen te hebben.
‘Gewoon, geen keuze geven.’
Dat we drie weken zouden afzien werd me inderdaad als een feit gebracht. Ik geloof niet dat ik op enig moment gedacht heb: ik blijf thuis. Maar geschift vond ik het wel.
Darmen eruit, tong uit z’n bek
Ik kwam een groot deel van de vakantie fantaserend door. Ik dacht aan de vier jaar oudere jongen die ik leuk vond en stelde me voor hoe de touringcar van de Red Hot Chili Peppers voorbijkwam en ze me uit medelijden meenamen. Meestal kleefde ik aan mijn vaders achterwiel, hij noemde me ‘onze Jopie Zoetemelk’.
Het ergst was de langste etappe in de tweede week, toen beide geplande rustdagen allang geweest waren. Honderdtwintig kilometer door de uitlopers van de Franse Alpen. Mijn persoonlijke dieptepunt kwam op driekwart van de rit, bergop in een scherpe bocht. In de berm lag een aangereden hert. Darmen eruit, vliegen erboven, tong uit z’n bek. Mijn familieleden waren nergens te bespeuren, wat ik niet kon uitstaan, wat dan weer gek was, omdat ik ze haatte.
Op de top troffen we elkaar pas weer. Vertrokken gezichten. Mijn moeder zou haar fiets het ravijn flikkeren, zei ze. Mond strak. Ogen zwart. Alsof iemand anders voor deze situatie verantwoordelijk was.
En dan macaroni eten
Het laatste kwart ging ons alle vier verrassend makkelijk af, terwijl dat niet minder zwaar was. Alsof we op onze volle reservetankjes over waren gegaan. We zongen liedjes, stonden op de trappers, rolden niet maar zoefden. In het donker kwamen we aan in een appartement waar mijn moeder macaroni maakte uit pakjes en blikjes. Macaroni had me nooit zo goed gesmaakt. Ik denk dat ik dat ook uitriep van geluk.
Dat is mijn fietsgeluk. Niet bergop willen, het toch doen en het uiteindelijk gedáán hebben. En dan macaroni eten.
Mijn gesprekken voor de Fietsersbond
Ik interviewde de afgelopen tijd dus veel mensen over hún fietsgeluk. Het waren leuke, verbazende en soms ontroerende gesprekken. De één fietst al 57 jaar de Elfstedentocht (verbazend), de ander vertrekt bij dag en dauw op de speedpedelec om onderweg naar kantoor de zon te zien opkomen boven de Waal (leuk).
Mijn grootste aanraders:
- Sebastien Sutherland richtte een LHBTI+ wielerclub op. Tijdens het fietsen voelt hen zich kalm en veilig. Eindelijk even niet hoeven horen: ‘Je mag deze wc niet gebruiken.’ (ontroerend)
- Vouwfietser Petra (60) scheurt altijd door rood en merkt dat collega’s nooit met haar willen opfietsen
- ‘Fietsfamilie’ Hitman: drie generaties die een diepe liefde koesteren voor, ja heus, de tandem


Laat een antwoord achter aan Suzanne Reactie annuleren